Elk jaar valt de WOZ-beschikking op de mat: de waarde die de gemeente aan jouw woning toekent. Dat getal is geen formaliteit, want het bepaalt mee hoeveel onroerendezaakbelasting, waterschapsheffing en soms inkomstenbelasting je betaalt. Reden genoeg om te begrijpen hoe die waarde tot stand komt.
Hoe de gemeente de waarde bepaalt
De gemeente schat de marktwaarde van je woning op een vaste peildatum, het jaar ervoor. Dat gebeurt grotendeels geautomatiseerd, op basis van verkoopprijzen van vergelijkbare woningen in de buurt, de oppervlakte, het bouwjaar en kenmerken als een aanbouw of dakkapel. Omdat het om een model gaat, sluipen er fouten in: een verkeerde oppervlakte, achterstallig onderhoud dat niet is meegewogen of een onterechte vergelijking.
Waar het misgaat
- Onjuiste oppervlakte: de gemeente rekent met meer vierkante meters dan je hebt.
- Geen rekening met gebreken: vocht, gedateerde staat of geluidsoverlast.
- Verkeerde referentiewoningen: vergelijking met luxere of grotere panden.
Bezwaar maken
Vind je de waarde te hoog, dan kun je binnen zes weken na dagtekening bezwaar maken bij de gemeente. Vraag eerst het taxatieverslag op; daarin zie je met welke woningen is vergeleken. Onderbouw je bezwaar met concrete argumenten: een afwijkende oppervlakte, gebreken of betere vergelijkingspanden. Een goed onderbouwd bezwaar is gratis en kan je jaarlijks geld schelen.
Een lagere waarde is niet altijd beter
Let wel: een lagere WOZ-waarde betekent minder belasting, maar kan ongunstig zijn als je je woning wilt verkopen of je overwaarde wilt aantonen. Weeg dus af waar het je om te doen is. In de meeste gevallen, zeker bij een aantoonbaar te hoge inschatting, loont een bezwaar de moeite.